Met heel veel woorden wordt het weer in Tenerife besproken en beschreven. Van literaire omschrijvingen en meteorologische benadering tot de dagelijkse babbels onder de mensen. Het weer is hot-item. Vooral omdat het weer hier een aantal variaties bevat, hoe eigenaardig dit ook mag klinken. Bij extreme weersituaties komt het meteorologisch instituut Aemet en meteen daarna ook de eilandregering wapperen met weeralarmen; eerst een alarmfase geel, dan oranje… en soms ook rood.

Uitzonderlijke en lokale weerfenomenen werden reeds gepubliceerd in de vorige edities van dit ‘vervolgverhaal’. Regen, wolken, calima, passaten, drukgebieden, golfstromen (Canarische stroom) en geografische relaties met het weer kwamen in een nabij verleden reeds aan bod. De artikels die in deze reeks reeds zijn verschenen kun je onderaan deze pagina raadplegen.

Als er wind staat over de oceaan ontstaat het fenomeen mar de fondo en met dit artikel wil ik iets dieper ingaan op een weersverschijnsel dat zich enkel maar kan voordoen in kustgebieden. En als je dan over een eiland spreekt dan wordt deze ‘zeedeining’ nog meer uitvergroot; ze wordt dan exponentieel belangrijker.

De contouren van het eiland zijn afgeboord met water. Zeewater van de Atlantische Oceaan. Dit brengt wat leuke dingetjes met zich mee: stranden, zwem- plas- en spelgelegenheid, watersporten, haventjes, eindeloze vergezichten en oogverblindende zonsopgangen en dito ondergangen.
Dat er aan een kuststrook ook gevaren zijn is te merken aan dijkbreuken, hoge golven, opspattend zeewater en overstromingen. Zonder nog maar te spreken over mogelijks verdrinkingsgevaar.

Om te begrijpen hoe golven ontstaan, wat de oorzaken zijn en welke soorten golven er zijn moet je je verdiepen in meteorologische verschijnselen.
Dit kunnen wij hier vrij duidelijk uitleggen, alhoewel niet alle meteorologische, fysieke en dynamische elementen hier worden uitgespit; het kan vrij summier en toch duidelijk uitgelegd worden.

Hoe dieper het water is, hoe meer ruimte er is voor het water om rond te stromen. Vlak bij de kust is de zee minder diep. Het water dat steeds in beweging is, moet zich dus opeens verspreiden in een kleinere ruimte, het stapelt zich op en er ontstaat een golfbeweging die naar de kust toestroomt. De bovenste waterlaag heeft vrij spel, de onderste wordt afgeremd door een stijgende bodem.
Dit kun je vergelijken met een struikelend persoon; de benen blijven ergens haperen terwijl het lichaam de voorwaartse beweging verder zet en tenslotte, volledig uit balans, het hele lichaam doet omvallen. Ik verwijs naar de beschrijving van de eerste wet van Newton of de ‘wet der traagheid’.
We gaan er van uit dat de golven kunnen ontstaan door wind, door stromingen, door oppervlaktespanning, door viskeuze wrijving en door de aantrekkingskracht van de maan. Uiteraard spelen andere factoren daar ook een rol in, zoals er zijn: aardbevingen, tsunami’s, het corioliseffect en de zwaartekracht. Ook de oppervlaktespanning van het zeewater speelt hier een kleine rol.

Bij een mar de fondo of zeedeining wordt een golfpatroon gegenereerd aan het wateroppervlak door een heersende wind. Hoe verder op de oceaan dit ontstaat, hoe langer de periode en de golflengte, en hoe langer en rechter de golfkammen worden, terwijl de golfhoogte langzaam afneemt.
Uit het niets verschijnen aan het strand plots een aantal reuzenbaren en daarna stopt het voor een wijl. Na 5 à 10 minuten doet het fenomeen zich opnieuw voor. Een gevaarlijke situatie voor spelende kinderen aan de vloedlijn op een strand. Menig strandbezoeker heeft zich reeds in allerijl teruggetrokken; droog bij een snelle reactie, druipnat na een afwachtende houding.

De aarde, zon en maan werken als magneten op elkaar. De maan trekt het water op aarde naar zich toe. Daardoor ontstaat vloed. De aarde draait langzaam rond, waardoor de maan steeds een ander stuk water naar zich toetrekt. Als het water weinig wordt aangetrokken door de maan wordt het eb. Dit noemt men de getijdengolven.
Twee keer per maand, bij nieuwe maan en bij volle maan is er sprake van een springtij. Dan is het verschil tussen eb en vloed het grootst; eb is lager dan normaal en vloed is hoger.
Daarenboven kunnen deze getijdengolven nog versterkt worden door de wind die dat extra duwtje geeft om nog grotere golven te creëren.

Een stormvloed is dan het opstuwen van zeewater door stormwinden. Stormwinden kunnen het zeewater nog verder opstuwen. Op volle zee kunnen dan golven ontstaan van 10 meter en meer, maar van deze golven is de lengte dan eerder beperkt. Een stormvloed kan extra vervelend zijn, als hij de kust bereikt samenvallend met de vloed (of nog erger springvloed). De (spring)vloed wordt dan verhoogd met de stormvloed.

Erger is het als je een vloedgolf over je heen krijgt die veroorzaakt wordt door een zeebeving, een aardbeving waarbij het epicentrum op of onder de zeebodem ligt. Bij schoksgewijze beweging van de zeebodem langs geologische breuklijnen, kunnen plotsklaps grote volumes water worden verplaatst, vooral als zich een zeebeving op kilometers diepte voltrekt. Aan het wateroppervlak ontstaat een golf die in grootte toeneemt in verhouding tot de afstand die ze aflegt.

WEERFENOMENEN 1
WEERFENOMENEN 2 – CALIMA
WEERFENOMENEN 3 – WINDEN
WEERFENOMENEN 4 – WOLKEN