100 NUTTIGE SPAANSE WOORDEN DIE BEGINNEN MET EEN ‘A’- (Deel 1)
Een taal spreken begint met woorden waarmee nadien een zin wordt gemaakt. Deze zin, hoe eenvoudig ook, is steeds het begin van een verstaanbaar gesprek.

a la derecha: aan de rechterkant, aan de rechterzijde, naar rechts, rechtsaf, rechtse
a la izquierda: aan de linkerkant, aan de linkerzijde, naar links, linksaf, linkse
a pie: te voet
a tú (su) salud: op jouw (uw) gezondheid, santé, proost, prosit
a tiempo: tijdig, op tijd, bijtijds
a través de: door, doorheen, erdoor
a veces: bijwijlen, soms, somtijds, weleens
a voluntad: naar believen, naar wens
abadejo: koolvis (een soort kabeljauwachtige witvis)
abajo: omlaag, neer, neerwaarts, naar beneden, onder, eronder, daaronder
abdomen: buikstreek, onderlichaam, buikholte,
abertura: opening, gaping
abierto: open, toegankelijk
abogado: advocaat, raadsman, pleitbezorger
abominable: afschuwelijk, afgrijselijk, abominabel, stuitend, verschrikkelijk
abrazo: knuffel, omarming, omhelzing
abrigo: bescherming, beveiliging, jas, overjas
abril: april
abrir: openen, openmaken,
abuela: grootmoeder, oma, bomma
abuelo: grootvader, opa, bompa
abuelos: grootouders, voorvaderen
acantilado: klif, klip
accesible: toegankelijk, bereikbaar, genaakbaar
acceso: toegang, binnengaan, intrede, entree
accidente: ongeluk, ongeval, accident
aceite: olie
aceite de oliva: olijfolie
aceite para motores: motorolie
aceituna: olijf
aceituno: olijfboom
acelerar: versnellen, bespoedigen, verhaasten, aanmoedigen, bevorderen, bijdragen
acento: accent, tongval, klemtoon, nadruk
aceptar: ontvangen, aannemen, accepteren, toestaan, toestemmen, instemmen, goedvinden
acera: voetpad, looppad, stoep, trottoir
acerca de: weten over, denken over, uitleggen
acero: staal
acompañar: meerijden, vergezellen, begeleiden, meekomen
acordar: afstemmen, tunen, stemmen, het eens zijn, goedvinden, toestemmen
acortar: afkorten, inkorten, kort(er) maken, verkorten
acostar: in bed stoppen, naar bed brengen, naar bed gaan, slapengaan
acostarse: zich te slapen leggen, zich neerleggen, zich uitstrekken, zich ter ruste begeven
acostumbrar: gewoon zijn, gewend zijn, plegen
activar: vooruitgaan, veld winnen, opschieten, vlotten, vorderen, aanmoedigen, bijdragen, aanwakkeren
actividad: activiteit, bedrijvigheid, werkdadigheid
activo: beweeglijk, actief, bedrijvig, werkzaam, ijverig,
acuerdo: akkoord, schikking, afspraak, verbintenis, opinie, dunk, visie, zienswijze
adaptable: bruikbaar, geschikt
adelante: naar voor, voorover, vooruit, voorwaarts, binnen, kom binnen, lenen, voorschieten
adelanto: vooruitbetaling, lenen, uitlenen, verschot, voorschot, inhalen, voorbijrijden, passeren
además: bovendien, ook, tevens, trouwens, evenzeer, daarnaast,
además de: behalve, uitgezonderd, met uitsluiting van, benevens, behoudens
adentro: naar binnen, binnen, daarbinnen
adicional: extra, toegevoegd, bijkomend, aanvullend, supplementair
adivinar: raden, gissen, verwachten, uitkijken naar, tegemoetzien, voorspellen, beschuldigen, verdacht maken
adivino: ziener, voorspeller, profeet, wichelaar, helderziende, waarzegger
adiós: vaarwel, afscheid, dag, doei, tot ziens
adjunto: adjunct, assistent, bijgevoegd, toevoegen, vastmaken, insluiten
administración: beheer, administratie, leiding, management, bestuur, toezicht, overheid
administrador: beheerder, boekhouder, afdelingshoofd, leider, administrateur, chef, afdelingshoofd
admirable: bewonderenswaardig, overweldigend, imposant, indrukwekkend, wonderbaar, eerbiedwekkend
admiración: bewondering, verbazing, ontgutsing, verwondering
admirador: bewonderaar, fan, vereerder
admirar: bewonderen, aanbidden, adoreren, verafgoden, tegen iets opkijken
admitir: laten, toelaten, gunnen, toekennen, permitteren, dulden, tolereren, binnenlaten, bevestigen
adolescente: adolescent, jongere, tiener, puber, halfwassen
adoptar: aannemen, adopteren, overnemen, annexeren, inlijven, zich eigen maken
adoración: eerbiedigen, aanbidding, verering, eerbied
adornar: versieren, opluisteren, opschikken, tooien, uitdossen, zich mooi maken
adquirir: aanschaffen, aankopen, betrekken, verkrijgen, behalen
aduana: douane, grenskantoor, douanerechten
aduanero: douanier, douanebeamte, tolbeambte, grenswachter
adulto: volwassen, volgroeid, meerderjarige, mondig, ernstig, voornaam
adusto: streng, eigenzinnig, eigenwijs, stug, koppig, onwillig, droefgeestig, weemoedig, troosteloos
adversario: tegenstander, opponent, tegenstrever, tegenspeler, tegenpartij
adverso: nadelig, ongunstig, onvoordelig, tegenovergesteld, schadelijk, tegenstrijdig
advertencia: opmerking, waarschuwing, commentaar, kritiek, aanbeveling
advertir: waarschuwen, wijzen, informeren, inlichten, verwittigen, merken, ontwaren
aeronauta: piloot, aviateur, vlieger, vliegenier
aeronave: vliegtuig, luchtvaartuig, vliegtoestel
aeropuerto: luchthaven, vlieghaven
aerosol: verstuiver, spuitbus, drijfgas, aerosol
aeródromo: vliegveld, aerodroom
afección: lichamelijke aandoening
afeitar(se): (zich) scheren,
afirmación: bewering, bevestiging, verzekering, affirmatie
afortunado: gelukkig, voorspoedig, tevreden, voldaan, succesvol, boffend
agenda: agenda, plan, programma, schema, kalender
agente: politieagent, vertegenwoordiger, tussenpersoon, konstabel, gerechtsdienaar
agitar: agiteren, ophitsen, opruien, schudden, vertroebelen, aangrijpen, ontroeren
aglomeración: agglomeratie, opeenhoping, menigte, massa, kabaal, lawaai, drukte, toeloop,
agonía: kwelling, ergernis, beproeving, grief, pijn, doodstrijd, stervensnood
agosto: augustus, gewas, voedselplant, oogstmaand
agotar: opteren, uitputten, vermoeien, slopen, afmatten, opeten, opvreten, verlaten, afreizen, wegtrekken, heengaan, verdwijnen, doorgan, afbreken, slachten, zegevieren, dood maken
agradable: leuk, aangenaam, plezierig, aardig, vriendelijk, fijn, behaaglijk, lief
agradecer: bedanken, dank betuigen, waarderen, appreciëren
agravar: verergeren, verzwaren, verslechteren, aandikken
agredir: aanvallen, overvallen, bestormen, aangrijpen, aantasten, attaqueren
agricultura: landbouw, akkerbouw, agricultuur