Wij aanbidden Tenerife niet alleen als een zonnegod, wij zien ook alles door een zonnebril… alles is mooi en aantrekkelijk, niets is lelijk en verwerpelijk. Enfin, bijna niets. De fauna is rijk, de flora is bloeiend. En precies in deze omgeving schuilt er een addertje onder het gras, of beter, er schuilt een spinnetje in het struikgewas. Op de Canarische Eilanden leven er diverse soorten spinnen en twee daarvan zijn gevaarlijk: de Latrodectus en Loxosceles.

Spinnen zijn geleedpotigen en zijn in de natuur bijzonder nuttig en ruimen een groot aantal insecten op, vooral vliegen en muggen. Ze bestaan in diverse vormen, kleuren en maten. Een aantal tropische soorten wordt groter en heeft soms bonte kleuren, een markante lichaamsvorm of karakteristieke uitsteeksels. De meeste spinnen hebben echter een goede camouflage. Een aantal spinnen is zo sterk gecamoufleerd dat ze niet meer als zodanig te herkennen zijn. Hun jachttechnieken kunnen heel erg van elkaar verschillen. Ze eten wat ze vangen en dat doen ze meestal met een spinrag, anderen gaan ‘te voet’ op jacht op ongewervelde dieren. Hun prooi moet vers zijn en door hen zelf gevangen, een gevonden dode vlieg laten ze met rust.
Spinnen worden door velen verkeerdelijk als insecten beschouwd. Nochtans zijn er heel wat verschillen waar te nemen. Spinnen hebben vier paar looppoten en geen drie paar zoals insecten. Het lichaam bestaat slechts uit twee delen terwijl dat van insecten uit drie delen bestaat.

Pedro Oromi, hoogleraar aan de faculteit biologie van de Universiteit van La Laguna en specialist inzake arachnologie stelt dat er op de Canarische Eilanden 975 spinachtigen leven, waarvan een 500-tal spinnen en dat nog nooit een spin een mens heeft aangevallen.
Je kunt dus best huiveren als je dit artikel leest, dat je schrik hebt van spinnen is niet verwonderlijk. Vijf op de tien mensen op deze aarde lijden aan arachnofobie of spinnenvrees en hebben de schrik reeds te pakken als ze er maar aan denken.

Op de Canarische Eilanden is geen enkele spin genesteld die een mens kan doden alhoewel een beet van twee soorten onder hen wat nare gevolgen kunnen veroorzaken. De ene is lid van de familie der kogelspinnen, de andere van de familie der vioolspinnen. Ze luisteren naar de namen Latrodectus tredecimguttatus en Loxosceles rufescens. De eerstgenoemde is beter gekend onder de noemer ‘zwarte weduwe’.
De Loxosceles-rufescens (links) komt uit de familie van de vioolspinnen en leeft in donkere hoekjes, waar ze dichte en sterke webben weeft. Haar beet veroorzaakt een necrotiserend effect op het huidweefsel rond de beet waardoor er zelfs een acuut oedeem kan ontstaan. Een bijkomend gevaar van de beet van deze spin is dat geënte bacteriën kunnen leiden naar gangreen in andere lichaamsdelen. Zo was er een geval gekend van een man die in Gran Canaria werd gebeten in de hand en de bloedvergiftiging die daardoor ontstond heeft geleid tot amputatie van beide voeten. Anderzijds werd in Tenerife een vrouw gebeten zonder verdere gevolgen, dank zij een aangepaste dermatologische behandeling.

De Latrodectus tredecimguttatus (rechts), wordt ook soms de Mediterrane zwarte weduwe genoemd. De beet van een zwarte weduwe veroorzaakt minder hinder op en rond de plaats van de beet en werkt vooral in op het volledige lichaam. Het neurotoxisch gif met weinig lokale effecten op de plaats van de beet, veroorzaakt hartstoornissen, koorts, abdominale rigiditeit en onwillekeurige contracties van de spieren. Niet dodelijk, op zijn minst een erge aandoening. Deze spin foerageert in grote getale op El Hierro omdat daar een kever woont die zij bijzonder graag lust. Haar naam heeft de spin te danken aan haar kleur en het feit dat ze het mannetje na de paring opeet. 
Mannetjes zijn doorgaans opvallender dan de vrouwtjes, omdat ze met hun kleurenpatroon de vrouwtjes verleiden om te paren. 

Mensen met schrik of met een fobie voor spinnen hebben vaak de neiging om de grootte van deze achtpotige ongewervelden te overschatten.
Het is wetenschappelijk bewezen dat zij liever naar vlinders kijken dan naar spinnen. Opvallend is dat arachnofobie bij natuurvolkeren aanzienlijk minder voorkomt dan in de westerse samenleving.