Twee woorden of uitdrukkingen in een taal zijn elkaars tegengestelde of convers indien ze vanuit tegenovergesteld perspectief betrekking hebben op dezelfde situatie of relatie. Ze kunnen worden gezien als lexicale paren waarvan de leden elkaars semantische complement zijn.
Een taalkundige uitleg enkel om te zeggen dat deze twee woorden elkaars tegenstelling of opposant zijn.
Hieronder staat tal van voorbeelden.
Leer ze uit het hoofd, ze maken deel uit van een belangrijke woordenlijst.


abajo ↔ arriba = beneden ↔ boven
abierto ↔ cerrado = open ↔ gesloten
algún ↔ ningún = enige ↔ geen enkele
alto/-a ↔ bajo/-a = hoog ↔ laag (groot/klein van gestalte)
ancho/-a ↔ estrecho/-a = wijd/breed ↔ nauw/smal (el ancho = breedte)
antes de ↔ después de = voor(af) ↔ na(dien), achter (= tijdsaanduiding)
aumentar ↔ disminuir = vermeerderen ↔ verminderen
blanco/-a ↔ negro/-a = wit ↔ zwart
blanco/-a ↔ moreno/-a = bleek ↔ donker (van huidskleur)
blanco/-a ↔ rubio/-a = bleek ↔ blond (donker van haarkleur)
buen(o/-a) ↔ mal(o/-a) = goed ↔ slecht
calor/caliente ↔ frío = warmte ↔ koude
caro/-a ↔ barato/-a = duur ↔ goedkoop
casado/-a ↔ soltero/-a = gehuwd ↔ alleenstaand
cerca de ↔ lejos de = dichtbij ↔ ver van (= plaatsaanduiding)
comprar ↔ vender = kopen ↔ verkopen
con ↔ sin = met ↔ zonder
correcto/-a ↔ falso/-a = juist ↔ verkeerd
delante de ↔ detrás de = voor ↔ achter (= plaatsaanduiding)
derecha ↔ izquerda = rechts ↔ links
diferente ↔ simular = verschillend ↔ gelijkend
divertido ↔ aburrido = aangenaam ↔ vervelend
el principio ↔ el fin = het begin ↔ het einde
el tuteo ↔ el tratamiento = tutoyeren ↔ beleefdheidsvorm (spreekvormen)
empeorar ↔ mejorar = verslechteren ↔ verbeteren
empujar ↔ tirar = duwen ↔ trekken
encender ↔ apagar = aansteken ↔ uitdoen (vb. van het licht/de la luz)
encima (de) ↔ bajo (de) = boven (iets) ↔ onder (iets)
enemigo/-a ↔ amigo/-a = vijand ↔ vriend/-in
extender ↔ reducir = uitstrekken ↔ verminderen
extranjero ↔ indigéna = buitenlander ↔ inheemse
fácil ↔ difícil = gemakkelijk ↔ moeilijk
fuera ↔ dentro = buiten ↔ binnen
ganar ↔ gastar = verdienen ↔ besteden (van geld/dinero)
gordo/-a ↔ delgado/-a = dik ↔ dun
grande ↔ pequeño = groot ↔ klein
hambre ↔ sed = honger ↔ dorst
la esposa ↔ el marido = echtgenote ↔ echtgenoot
la llegada ↔ la salida = de aankomst ↔het vertrek
largo ↔ corto = lang ↔ kort
limpio ↔ sucio = net/proper ↔ vuil
lujoso/-a ↔ incómodo/-a = weelderig ↔ weinig comfortabel
mala suerte ↔ buena suerte ongeluk ↔ veel geluk
más (que) ↔ menos (que) = meer (dan) ↔ minder (dan)
moderno/-a ↔ antiguo/-a = modern ↔ antiek
muerto ↔ vivo = dood ↔ levend
nada ↔ algo = niets ↔ iets
nadie ↔ alguien = niemand ↔ iemand
nuboso ↔ despejado = bewolkt ↔ helder (in meteorologie)
oscuro/-a ↔ claro/-a = donker ↔ helder/klaar (ook luminoso/-a)
poco/-a mucho/-a = weinig ↔ veel
prohibir ↔ admitir = verbieden ↔ toelaten
respetuoso ↔ insolente = eerbiedig ↔ onbeschoft/brutaal
rico/-a ↔ pobre = rijk ↔ arm
sentarse ↔ levantarse = gaan zitten ↔ opstaan
seco/-a ↔ mojado/-a = droog ↔ nat
siempre ↔ nunca = altijd ↔ nooit
soso/-a ↔ salado/-a = flets/flauw ↔ gezouten
también ↔ tampoco = ook ↔ ook niet
temprano ↔ tardío = vroeg ↔ laat
ventaja ↔ inconveniente = voordeel ↔ nadeel/bezwaar
viejo ↔ jóven = oud ↔jong
envejecer ↔ enjuvener = ouder worden ↔ jonger worden
guapo/-a ↔ feo/-a = mooi ↔ lelijk

Uiteraard is deze lijst niet compleet. Ken je er nog andere, dan kun je op deze les reageren.
Veel succes