You are here:--ZINSBOUW
ZINSBOUW 2017-05-01T07:03:28+00:00

Home Forums Spaans Leren ZINSBOUW

1 bericht aan het bekijken (van in totaal 1)
  • Auteur
    Berichten
  • Guy Devos
    Moderator
    Post count: 146

    Het onderwerp en het werkwoord zijn de basis van elke zin in het Spaans. Daarom is de zinsbouw vrij eenvoudig.
    Het onderwerp is de persoon of het object die de actie van het werkwoord uitvoert en deze staan vrijwel altijd als eerste in een zin.

    WOORDVOLGORDE

    Onderwerp + werkwoord + rest van de zin
    Pedro + werkt + in de bibliotheek – Pedro + trabaja + en la biblioteca.
    Door het feit de Spaanse taal heel flexibel is kan deze zin ook op andere manieren geconstrueerd worden.
    Trabaja Pedro en una biblioteca – Werkwoord + onderwerp + rest van de zin
    En una biblioteca trabaja Pedro – Rest van de zin + werkwoord + onderwerp
    Trabaja en una biblioteca Pedro – Werkwoord + rest van de zin + onderwerp
    Deze constructies zijn grammaticaal volkomen correct maar worden minder gebruikt.

    BIJVOEGLIJKE NAAMWOORDEN

    Bijvoeglijke naamwoorden komen na het zelfstandig naamwoord en niet er voor zoals in het Nederlands
    Het blauwe hemd – La camisa azul
    De heerlijke maaltijd – La comida deliciosa
    De jonge jongen – El niño joven
    De hoge boom – El árbol alto
    Dit is geen strikte regel, er zijn tal van uitzonderingen.

    1. Bijvoeglijke naamwoorden die gebruikt worden om kwaliteiten van een persoon of ding te beschrijven staan haaks op deze regel.
    La mujer simpática – De aardige vrouw
    El niño rubio – De blonde jongen
    La mochila roja – De rode rugzak

    2. Bij het beschrijven van een persoon of nationaliteiten van dingen, affiliatie, lidmaatschap of (ver)binding.
    El restaurante chino – Het Chinese restaurant
    La mujer americana – De Amerikaanse vrouw
    El político conservador – De conservatieve politicus
    El monje budista – de boeddhistische monnik

    3. Bij gebruik van meerdere bijvoeglijke naamwoorden om het zelfstandig naamwoord te verduidelijken.
    El libro largo y aburrido – Het lange, saaie boek
    La luna llena, blanca y brillante – De volle, witte en heldere maan

    4. Wanner de betekenis van het bijvoeglijk naamwoord wordt gewijzigd door een bijwoord of door een korte omschrijving.
    La casa muy cara – Het zeer dure huis
    la mochila llena de libros – De rugzak vol met boeken

    5. Wanneer je de nadruk legt op waardering (of het ontbreken) van een kwaliteit dan geeft het vaak een extra nadruk wanneer je het bijvoeglijk naamwoord voor het zelfstandig naamwoord zet.
    Un jugador bueno – Een goede speler / Un buen jugador – Een geweldige speler
    Una princesa bella – Een mooie prinses / Una bella princesa – Een prachtige prinses

    6. Bijvoeglijke naamwoorden die accentueren.
    El frío hielo – Het koude ijs
    El horrible monstruo – Het afschuwelijke monster
    La oscura noche- De donkere nacht

    7. Bijvoeglijke naamwoorden die niet beschrijvend zijn of die de kwaliteiten van een persoon of object niet beschrijven
    Muchos coches – Veel auto´s
    Tres personas – Drie mensen
    Este ordenador – Deze computer

    8. Bijvoeglijke naamwoorden die de betekenis wijzigen, afhankelijk van de plaatsing ervan.
    Un amigo viejo – Een oude vriend of een oudere vriend
    Un viejo amigo – Een oude vriend, een goede vriend die je al lang kent
    La mujer pobre – De arme vrouw, de vrouw zonder geld
    La pobre mujer – De arme (lijdende) vrouw
    Un hombre grande – Een grote man
    Un gran hombre – Een groot man, een geweldige man

    VERGELIJKINGEN

    Om in het Nederlands een vergelijking te maken met een bijvoeglijk naamwoord worden de achtervoegsels -er (gelukkiger, sterker, sneller) of -st (gelukkigst, sterkst, snelst) toegevoegd. In het Spaans is daar geen equivalent voor en gebruiken we gewoon het woord más voor het bijvoeglijk naamwoord.
    Más fuerte – Sterker
    Más rápido – Sneller
    Más inteligente – Intelligenter
    Más cariñoso – Liefdevoller
    Om minder aan te geven, wordt het woord menos gebruikt
    Menos fuerte – Minder sterk/zwakker
    Menos rápido -Minder snel/langzamer
    Menos inteligente – Minder intelligent
    Menos cariñoso – Minder lief

    1. Om twee objecten te vergelijken in een vergelijking van ongelijkheid gebruiken we de volgende constructie: onderwerp + koppelwerkwoord + más/menos + bijvoeglijk naamwoord + que + zelfstandig naamwoord.
    Marcos + es + más + alto + que + su hermana – Marcos is groter dan zijn zus
    Yo + soy + menos + inteligente + que + tú – Ik ben minder intelligent dan jij
    Mi coche + es + más + rápido + que + el tuyo – Mijn auto is sneller dan de jouwe
    La puerta es más roja que una cereza – De deur is roder dan een kers

    2. Een zin waarbij twee dingen of mensen met verschillende kenmerken worden vergeleken krijgen de volgende constructie: onderwerp + koppelwerkwoord + tan + bijvoeglijk naamwoord+ como + (voor)naamwoord.
    Marcos + es + tan + alto + como + su hermana – Marcos is net zo groot als zijn zus
    Yo + soy + tan + inteligente + como + tú – Ik ben net zo intelligent als jou
    Mi coche + es + tan + rápido + como + el tuyo – Mijn auto is net zo snel als de jouwe
    La puerta + es + tan + roja + como + una cereza – De deur is net zo rood als een kers

    3. Superlatieven worden ook gebruikt in vergelijkingen. In het Nederlands plaatsen we een lidwoord voor het bijvoeglijk naamwoord, waar we vervolgens het achtervoegsel -ste aan toevoegen (de sterkste, de slimste, de leukste). In het Spaans gebruiken we el/la más of el/la menos, afhankelijk van het geslacht van het naamwoord.
    Onderwerp + werkwoord + lidwoord + más/menos + zelfstandig naamwoord + de + rest van de zin.
    María + es + la + más + guapa + de + sus amigas – María is de mooiste van haar vriendinnen
    Mi coche + es + el + más + caro + de + todos – Mijn auto is de duurste van allemaal
    Sara + es + la + menos + alta + de + su clase – Sara is de minst grote van haar klas
    Pedro + es + el + menos + rápido + de + su equipo – Pedro is het minst snel van zijn team

    4. Dezelfde formule wordt gebruikt in vergelijkingen met bijwoorden. Je hoeft je geen zorgen te maken over het geslacht van het bijwoord omdat ze maar één vorm hebben.
    Onderwerp + werkwoord + más/menos + bijwoord + que + zelfstandig naamwoord
    Sara + estudia + menos + diligentemente + que + Marcos – Sara studeert minder ijverig dan Marcos
    Su casa + está + más + lejos + que + la mía – Zijn huis ligt verder dan die van mij

    5. Het Nederlands en het Spaans hebben beiden veel onregelmatige vergelijkende woorden. Enkele voorbeelden moeten het duidelijk maken.
    Goed – Bueno / Beter – Mejor
    Slecht – malo / Slechter – Peor
    Oud – Viejo / Ouder – Mayor
    Jong – Joven / Jonger – Menor
    Ik ben ouder dan mijn zus – Yo soy mayor que mi hermana
    Mijn zus is jonger dan ik – Mi hermana es menor que yo
    Je cijfers zijn slechter dan die van mij – Tus notas son peores que las mias
    Ik rij beter dan mijn vader. = Conduzco mejor que mi padre

    VORMEN

    In het Nederlands gebruiken we minder de lijdende vorm, in plaats daarvan wordt de bedrijvende vorm gebruikt.
    Bedrijvende vorm: Het beste team wint het spel.
    Lijdende vorm: Het spel is gewonnen door het beste team.

    1. Ser + voltooid deelwoord
    La carrera es ganada por el caballo más rápido – De race is gewonnen door het snelste paard
    Estos libros son escritos por mi autor favorito – Deze boeken zijn geschreven door mijn favoriete auteur

    2. Wederkerige werkwoorden
    Deze werkwoorden worden steeds vervoegd in de derde persoon enkelvoud (él, ella, usted) of meervoud (ellos, ellas, ustedes) afhankelijk van het zelfstandig naamwoord dat er na komt.
    No se permiten los perros en el hotel – Honden zijn niet toegestaan in het hotel
    Se alquilan pisos en este edificio – Ze huren appartementen in dit gebouw / Er zijn appartementen te huur in dit gebouw / Appartementen worden in dit gebouw gehuurd
    En esta oficina se come a las 14:30 – In dit kantoor eten mensen om 14.30 uur /In dit kantoor eet men om 14.30 uur
    Se vende ropa de hombre en esta tienda – Herenkleding wordt verkocht in deze winkel.

    3. Hay que + infinitief werkwoord
    Hay que + estudiar mucho para sacar buenas notas – Men moet veel studeren om goede cijfers te halen
    Hay que + hacer ejercicio y comer bien – Men dient veel oefeningen te doen en goed te eten.)
    Hay que + ser optimista en situaciones difíciles – Men moet optimistisch zijn in moeilijke situaties
    Zo ook worden de werkwoorden tener en deber vervoegd. Het werkwoord wordt vervoegd in functie van de persoonsvorm.
    Tenemos que ir al mercadona – Debo que ir al banco

    Een hele boterham maar eenmaal je dit onder de knie hebt zul je makkelijker zinnen kunnen bouwen. Dan is het enkel belangrijk dat je je woordenschat uitbreidt om je nóg meer verstaanbaar te maken.

    Bron: enforex.com

    • Dit onderwerp is gewijzigd 8 maanden, 4 weken geleden door  Guy Devos.
    • Dit onderwerp is gewijzigd 8 maanden, 3 weken geleden door  Guy Devos.
1 bericht aan het bekijken (van in totaal 1)

Je moet ingelogd zijn om een reactie op dit onderwerp te kunnen geven.