You are here:--VERVOEGING EL PRESENTE (TEGENWOORDIGE TIJD)
VERVOEGING EL PRESENTE (TEGENWOORDIGE TIJD) 2017-09-12T22:45:44+00:00

Home Forums Spaans Leren VERVOEGING EL PRESENTE (TEGENWOORDIGE TIJD)

3 berichten aan het bekijken - 1 tot 3 (van in totaal 3)
  • Auteur
    Berichten
  • Guy Devos
    Moderator
    Post count: 146

    De Spaanse taal telt 14 vervoegingen. Daarnaast is er ook nog, voor ons Nederlandstaligen, het ongebruikelijk tegenwoordig deelwoord of el gerundio dat altijd gebruikt wordt met het werkwoord estar.
    Veel werkwoorden zijn regelmatig en dus gemakkelijk over één lijn te vervoegen maar er bestaat een resem aan onregelmatige werkwoorden die allen één of meerdere aparte regeltjes bevatten.
    Het is van allergrootst belang dat je de tegenwoordige tijd goed leert. Later komen andere vervoegingsvormen aan de orde die dan gelinkt zijn aan El Présente.

    De werkwoorden ser en estar hebben we reeds behandeld in een vorige les. Dit zijn uitermate belangrijke werkwoorden die heel veel gebruikt worden in het Spaans.

    1. We beginnen met de regelmatige vormen van werkwoorden die eindigen op -AR, -ER en op -IR. Al de werkwoorden uit deze classificatie worden gelijklopend vervoegd.
    De stam blijft gelijk, de uitgang verandert volgens de vervoegingstijd.
    yo = stam + o
    tú = stam + as/es
    él = stam + a/e
    nosotros = stam + amos/emos/imos
    vosotros = stam + áis/éis/ís
    ellos = stam + an/en

    Dit zijn drie typewerkwoorden.
    HABLAR – SPREKEN
    yo hablo – ik spreek
    tú hablas – jij spreekt
    él/ella/usted habla – hij/zij/u spreekt
    nosotros/-as hablamos – wij spreken
    vosotros/-as habláis – jullie spreken
    ellos/-as /ustedes hablan – zij/zij/jullie spreken
    COMER – ETEN
    yo como – ik eet
    tú comes – jij eet
    él/ella/usted come – hij/zij/u eet
    nosotros/-as comemos – wij eten
    vosotros/-as coméis – jullie eten
    ellos /-as/ustedes comen – zij/zij/jullie eten
    VIVIR – LEVEN
    yo vivo – ik woon
    tú vives – jij woont
    él/ella/usted vive – hij/zij/u woont
    nosotros/-as vivimos – wij wonen
    vosotros/-as vivís – jullie wonen
    ellos/-as/ustedes viven – zij/zij/jullie wonen

    2. Veel werkwoorden die vaak worden gebruikt zijn onregelmatig. Omdat ze vaak gebruikt worden is het handig de vervoegingen ervan te kennen. Voorbeelden van vaak gebruikte onregelmatige werkwoorden zijn

    VENIR – KOMEN
    Yo vengo – ik kom
    Tú vienes – jij komt
    Él/Ella/Usted viene – hij/zij heeft
    Nosotros/Nosotras venimos – wij komen
    Vosotros venís – jullie komen
    Ellos/Ellas/Ustedes vienen – zij komen, u (meervoud) komt

    PODER – KUNNEN
    Yo puedo – ik kan
    Tú puedes – jij kan
    Él/Ella/Usted puede – hij/zij kan
    Nosotros/Nosotras podemos – wij kunnen
    Vosotros podéis – jullie kunnen
    Ellos/Ellas/Ustedes pueden – zij kunnen, u (meervoud) kunnen

    3. De volgende onregelmatige werkwoorden hieronder staan in dezelfde volgorde maar dan zonder persoonlijk voornaamwoord.
    Bij een aantal werkwoorden is alleen de eerste persoon enkelvoud onregelmatig. Alle andere vormen volgen het schema van de groep van werkwoorden waarbij ze horen.
    Hacer (doen) – hago, haces, hace, hacemos, hacéis, hacen
    Poner (plaatsen) – pongo, pones, pone, ponemos, ponéis, ponen
    Salir (uitgaan) – salgo, sales, sale, salimos, salís, salen
    Traer ( brengen) – traigo, traes, trae, traemos, traéis, traen
    Ver (zien) – veo, ves, ve, vemos, veis, ven
    Saber (weten) – sé, sabes, sabe, sabemos, sabéis, saben
    Caber (passen) – quepo, cabes, cabe, cabemos, cabéis, caben
    Caer (vallen) – caigo, caes, cae, caemos, caéis, caen
    Dar (geven) – doy, das, da, damos, dais, dan
    Oír (horen) – oigo, oyes, oye, oímos, oís, oyen
    Valer (kosten) – valgo, vales, vale, valemos, valéis, valen

    4. Onregelmatige werkwoorden waarbij de eerste persoon enkelvoud onregelmatig is en waarvan de stamklinker verandert.
    Decir (zeggen) – digo, dices, dice, decimos, decís, dicen
    Venir (komen) – vengo, vienes, viene, venimos, venís, vienen
    Tener (hebben, bezitten, zijn) – tengo, tienes, tiene, tenemos, tenéis, tienen

    5. Onregelmatige werkwoorden waarbij de eerste persoon enkelvoud onregelmatig is. Tot deze groep behoren de werkwoorden op -acer, -ecer, -ocer en -ucir. Bij deze werkwoorden verandert in de eerste persoon enkelvoud de -c in een -zc
    Nacer (geboren worden) – nazco, naces, nace, nacemos, nacéis, nacen
    Obedecer (gehoorzamen) – obedezco, obedeces, obedece, obedecemos, obedecéis, obedecen
    Conocer (kennen, leren) – conozco, conoces, conoce, conocemos, conocéis, conocen
    Traducir (vertalen) – traduzco, traduces, traduce, traducimos, traducís, traducen
    Ofrecer (aanbieden) – ofrezco, ofreces, ofrece, ofrecimos, ofrecéis, ofrecen
    Reconocer (herkennen) – reconozco, reconoces, reconoce, reconocimos, reconocéis, reconocen

    6. Onregelmatige werkwoorden omwille van uitspraak.
    6.1 Een i na een andere klinker wordt y, wanneer er nog een klinker volgt. Dit is voornamelijk toepasselijk op werkwoorden die eindigen op -uir.
    Concluir (besluiten) – concluyo, concluyes, concluye, concluimos, concluís, concluyen
    Contribuir (bijdragen) – contribuyo, contribuyes, contribuye, contribuimos, contribuís, contribuyen
    Destruir (vernietigen) –
    Disminuir (verminderen) –
    Reconstruir (herstellen)
    Sustituir (vervangen)
    Construir (bouwen) –
    Incluir (insluiten-omvatten)
    Distribuir (verdelen, verspreiden)
    Exluir (uitsluiten)
    Huir (vluchten)
    6.2 Een onbeklemtoonde i wordt een beklemtoonde í als de klemtoon op de stam valt
    Enviar (verzenden) – envío, envías, envía, enviamos, enviáis, envían, zenden
    Ampliar (vergroten)
    Resfriar (afkoelen)
    Confiar (vertrouwen)
    Criar (kweken-opvoeden)
    Desafiar (uitdagen)
    Resfriarse (kou vatten)
    Vaciar (leegmaken)
    Variar (afwisselen)
    Esconfiar (wantrouwen)
    Esquiar (skiën)
    otografiar (fotograferen)
    6.3 Een onbeklemtoonde u wordt een beklemtoonde ú als de klemtoon op de stam valt
    Continuar (voortdoen) – continúo, continúas, continúa, continuamos, continuáis, continúan
    Acentuar (beklemtonen)
    Actuar (handelen-optreden)
    Efectuar uitvoeren)
    Evaluar (schatten-waarderen)
    Habituarse (wennen aan)
    Situar (plaatsen-situeren)

    7. Bij een aantal werkwoorden verandert de stamklinker waarbij de klemtoon op de stam valt.
    7.1 In bepaalde gevallen wordt de e → ie en in andere gevallen verandert de e → i, uitgezonderd in de 1ste en 2de persoon meervoud.
    Empezar (beginnen) – empiezo, empiezas, empieza, empezamos, empezáis, empiezan
    Querer (houden van) – quiero, quieres, quiere, queremos, queréis, quieren
    Preferir (verkiezen) – prefiero, prefieres, prefiere, preferimos, preferís, prefieren
    Servir (bedienen) – sirvo, sirves, sirve, servimos, servís, sirven
    Cerrar (sluiten)
    Despartarse (ontwaken)
    Pensar (denken)
    Sentarse (zich voelen)
    Entender (begrijpen)
    Pedir (vragen om te krijgen)
    Seguir (vervolgen)
    7.2 In bepaalde gevallen wordt de o → ue en in andere gevallen verandert de u → ue, uitgezonderd in de 1ste en 2de persoon meervoud.
    Probar (proberen) –  pruebo, pruebas, prueba, probamos, probáis, prueban
    Poder (kunnen) – puedo, puedes, puede, podemos, podéis, pueden
    Dormir (slapen) – duermo, duermes, duerme, dormimos, dormís, duermen
    Jugar (spelen) – juego, juegas, juega, jugamos, jugáis, juegan
    Acordarse
    Acostarse (gaan slapen)
    Almorzar (ontbijten)
    Contar (tellen)
    Costar (kosten)
    Encontrar (ontmoeten)
    Mover (bewegen)
    Volver (omkeren)

    8. Andere voorbeelden
    Empezar (beginnen) – empiezo, empiezas, empieza, empezamos, empezáis, empiezan
    Soñar (dromen) – sueño, sueñas, sueña, soñamos, soñáis, sueñan
    Ir (gaan) – voy, vas, va, vamos, vais, van
    Dar (geven) – doy, das, da, damos, dáis, dan
    Haber (hulpwerkwoord hebben) – he, has, ha, hemos, habéis, han
    Querer (houden van) – quiero, quieres, quiere, queremos, queréis, quieren
    Preferer (verkiezen) – prefiero, prefieres, prefiere, preferimos, preferís, prefieren
    Dormir (slapen) – duermo, duermes, duerme, dormimos, dormís, duermen
    Cerrar (sluiten) – cierro, cierras, cierra, cerramos, cerráis, cierran
    Jugar (spelen) – juego, juegas, juega, jugamos, jugáis, juegan
    Sentir (voelen) – siento, sientes, siente, sentimos, sentís, sienten
    Contar (tellen) – cuento, cuentas, cuenta, contamos, contáis, cuentan
    Volver (terugkeren) – vuelvo, vuelves, vuelve, volvemos, volvéis, vuelven
    Perder (verliezen) – pierdo, pierdes, pierde, perdemos, perdéis, pierden
    Entender (verstaan) – entiendo, entiendes, entiende, entendemos, entendéis, entienden
    Encontrar (vinden, tegenkomen) – encuentro, encuentras, encuentra, encontramos, encontráis, encuentran
    Sentirse (zich voelen) – me siento, te sientes, se siente, nos sentimos, os sentís, se sienten
    Seguir (volgen) – sigo, sigues, sigue, seguimos, segís, siguen
    Despertarse (wakker worden) – me despierto, te despiertas, se despierta, nos despertamos, os despertáis, se despiertan
    Sentarse (gaan zitten) – me siento, te sientas, se sienta, nos sentamos, os sentáis, se sientan

    • Dit onderwerp is gewijzigd 4 maanden, 1 week geleden door  Guy Devos.
    Gerard
    Bijdrager
    Post count: 1

    Over ” poder “: yo puedo…ik kan

    Maar als het een vraag is: vb: kan ik?  Wordt het dan puedo yo?

     

    Gérard

    Guy Devos
    Moderator
    Post count: 146

    Als het een vraag betreft gebruik je in dit geval ‘puedo’+ infinitief van het werkwoord zonder het persoonlijk voornaamwoord te gebruiken.
    Indien je het toch gebruikt (en daar is niets mis mee) accentueer je de ik-persoon en benadruk je het feit dat het over ikzelf ga. Dit is minder gebruikelijk in het Spaans.

     

    • Deze reactie is gewijzigd 2 maanden, 2 weken geleden door  Guy Devos.
3 berichten aan het bekijken - 1 tot 3 (van in totaal 3)

Je moet ingelogd zijn om een reactie op dit onderwerp te kunnen geven.