You are here:--EL PRESENTE – ONVOLTOOID TEGENWOORDIGE TIJD
EL PRESENTE – ONVOLTOOID TEGENWOORDIGE TIJD 2017-03-30T11:44:29+00:00

Home Forums Spaans Leren EL PRESENTE – ONVOLTOOID TEGENWOORDIGE TIJD

1 bericht aan het bekijken (van in totaal 1)
  • Auteur
    Berichten
  • Guy Devos
    Moderator
    Post count: 146

    De onvoltooid tegenwoordige tijd is een werkwoordvorm waarbij het volgende wordt uitgedrukt:
    * een handeling die op het moment van spreken bezig is;
    * een toestand;
    * een gebeurtenis die in de (zeer) nabije toekomst plaats zal vinden;
    * een handeling die in het verleden is begonnen en tot op het moment van spreken voortduurt.
    In het Spaans heet deze veelgebruikte vervoeging El Presente

    1. REGELMATIGE WERKWOORDEN
    Eindigen op -AR / -ER / -IR zoals cantar (zingen), comer (eten) en vivir (leven)
    De stam blijft onveranderlijk: cant- / com- / viv- en de uitgangen veranderen naargelang de persoonlijkheidsvorm.
    * CANTAR – (yo) canto, (tú) cantas, (él/ella/Usted) canta, (nosotros) cantamos, (vosotros) cantáis,
    (ellos/ellas/Ustedes) cantan.
    * COMER – (yo) como, (tú) comes, (él/ella/Usted) come, (nosotros) comemos, (vosotros) coméis,
    (ellos/ellas/Ustedes) comen.
    * VIVIR – (yo) vivo, (tú) vives, (él/ella/Usted) vive, (nosotros) vivimos, (vosotros) vivéis,
    (ellos/ellas/Ustedes) viven.
    De uitgang van 1ste persoon enkelvoud eindigt bij de drie typewerkwoorden steeds op stam +o.
    Daarna moeten we een onderscheid maken; de ‘a’ en de ‘e’ van de werkwoorden eindigend op -AR en -ER blijven behouden, de ‘i’ van de werkwoorden eindigend op -IR veranderen in ‘e’.

    2. ONREGELMATIGE WERKWOORDEN (VERBOS IRREGULARES)
    SER (zijn) – (yo) soy, (tú) eres, (él/ella/Ud.) es, (nosotros) somos, (vosotros) sois, (ellos/ellas/Uds.) son
    ESTAR (zijn) – (yo) estoy, (tú) estás, (él/ella/Ud.) está, (nosotros) estamos, (vosotros) estáis,
    (ellos/ellas/Uds.) están
    Let op (!): het verschil in gebruik van deze twee werkwoorden wordt HIER uitgelegd.
    IR (gaan) – (yo) voy, (tú) vas, (él/ella/Ud.) va, (nosotros) vamos, (vosotros) vais, (ellos/ellas/Uds.) van
    OIR (horen) – (yo) oigo, (tú) oyes, (él/ella/Ud.) oye, (nosotros) oímos, (vosotros) oís, (ellos/ellas/Uds.) oyen
    OLER (ruiken) – (yo) huelo, (tú) hueles, (él/ella/Ud.) huele, (nosotros) olemos, (vosotros) oléis,
    (ellos/ellas/Uds.) huelen

    Uitzonderingen met een veranderlijke 1ste persoon enkelvoud.
    ASIR (grijpen) – (yo) asgo, (tú) ases, (él/ella/Ud.) ase, (nosotros) asimos, (vosotros) asís, (ellos/ellas/Uds.) asen
    CAER (vallen) – (yo) caigo, (tú) caes, (él/ella/Ud.) cae, (nosotros) caemos, (vosotros) caéis, (ellos/ellas/Uds.) caen
    DAR (geven) – (yo) doy, (tú) das, (él/ella/Ud.) da, (nosotros) damos, (vosotros) dais, (ellos/ellas/Uds.) dan
    DECIR (zeggen) – (yo) digo, (tú) dices, (él/ella/Ud.) dice, (nosotros) decimos, (vosotros) decís,
    (ellos/ellas/Uds.) dicen
    HACER (doen, maken) – (yo) hago, (tú) haces, (él/ella/Ud.) hace, (nosotros) hacemos, (vosotros) hacéis,
    (ellos/ellas/Uds.) hacen
    PONER (leggen) – (yo) pongo, (tú) pones, (él/ella/Ud.) pone, (nosotros) ponemos, (vosotros) ponéis,
    (ellos/ellas/Uds.) ponen
    SABER (weten, kennen) – (yo) , (tú) sabes, (él/ella/Ud.) sabe, (nosotros) sabemos, (vosotros) sabéis
    (ellos/ellas/Uds.) saben
    SALIR (vertrekken, uitgaan) – (yo) salgo, (tú) sales, (él/ella/Ud.) sale, (nosotros) salimos,(vosotros) salís
    (ellos/ellas/Uds.) salen
    TENER (hebben, bezitten) – (yo) tengo, (tú) tienes, (él/ella/Ud.) tiene, (nosotros) tenemos, (vosotros) tenéis
    (ellos/ellas/Uds.) tienen
    TRAER (leveren, brengen) – (yo) traigo, (tú) traes, (él/ella/Ud.) trae, (nosotros) traemos, (vosotros) traéis
    (ellos/ellas/Uds.) traen
    VALER  (kosten, waard zijn) – (yo) valgo, (tú) vales, (él/ella/Ud.) vale, (nosotros) valemos, (vosotros) valéis
    (ellos/ellas/Uds.) valen
    VENIR (komen, aankomen) – (yo) vengo, (tú) vienes, (él/ella/Ud.) viene, (nosotros) venimos, (vosotros) venís
    (ellos/ellas/Uds.) vienen
    VER (zien, bekijken) – (yo) veo, (tú) ves, (él/ella/Ud.) ve, (nosotros) vemos, (vosotros) veis, (ellos/ellas/Uds.) ven

    3. ONREGELMATIGE WERKWOORDEN WAARBIJ DE LAATSTE MEDEKLINKER VERANDERT.
    c verandert in z → mecer – mezo
    g verandert in en j → coger – cojo
    gu verandert in g → distinguir – distingo
    qu verandert in c → delinquir – delinco
    Werkwoorden eindigend op een klinker of op -duce of -cer plaatsen wij een z voor de c.
    Uitzonderingen daarop zijn HACER, MECER en COCER
    TRADUCIR (vertalen) – (yo) traduzco, (tú) traduces, (él/ella/Ud.) traduce, (nosotros) traducimos, (vosotros) traducís, (ellos/ellas/Uds.) traducen
    CONOCER (kennen, weten) – (yo) conozco, (tú) conoces, (él/ella/Ud.) conoce, (nosotros) conocemos
    (vosotros) conocéis, (ellos/ellas/Uds.)
    Uitzonderingen daarop zijn
    HACER (doen, maken) – (yo) hago, (tú) haces, (él/ella/Ud.) hace, (nosotros) hacemos, (vosotros) hacéis
    (ellos/ellas/Uds.) hacen
    MECER (schommelen, wiegen) – (yo) mezo, (tú) meces, (él/ella/Ud.) mece, (nosotros) mecemos, (vosotros) mecéis
    (ellos/ellas/Uds.) mecen
    COCER (koken, bakken) – (yo) cuezo, (tú) cueces, (él/ella/Ud.) cuece, (nosotros) cocemos, (vosotros) cocéis
    (ellos/ellas/Uds.) cuecen

    4. ORTHOGRAFISCHE UITZONDERINGEN
    * Waarvan de klinkerverandering zich voordoet in het enkelvoud en in de 3de persoon meervoud
    e verandert in i → SERVIR (dienen) – sirvo, sirves, sirve, servimos, servís, sirven
    e verandert in ie → CERRAR (sluiten) – cierro, cierras, cierra, cerramos, cerráis, cierran
    o verandert in ue → RECORDAR (herinneren, onthouden) – recuerdo, recuerdes, recuerde, recordamos, recordáis, recuerden
    * In werkwoorden eindigend op -IAR of -UAR wordt een accent geplaatst in het enkelvoud en in de 3de persoon meervoud
    ESPIAR (loeren, spioneren) – espío, espías, espía, espiamos, espiáis, espían
    ACTUAR (doen alsof) – actúo, actúas, actúa, actuamos, actuáis, actúan
    PROHIBIR (verbieden) – prohíbo, prohíbes, prohíbe, prohibimos, prohibís, prohíben
    REUNIR (verzamelen, samen komen) – reúno, reúnes, reúne, reunimos, reunís, reúnen
    * In werkwoorden die eindigen op -UIR verandert de i in y bij de vervoegingen in het enkelvoud en in de 3de persoon meervoud.
    SUSTITUIR (vervangen, aflossen) – sustituyo, sustituyes, sustituye, sustituimos, sustituís, sustituyen

    !! Opmerking !! Werkwoorden in het Spaans hebben in generaal tal van vertalingen in het Nederlands.
    Hierbij een voorbeeld van de mogelijke vertalingen van SALIR om dit gegeven duidelijk te maken.
    gaan; vertrekken; weggaan; heengaan; opstappen; opbreken; uitgaan; stappen; de hort op gaan; verlaten; verwijderen; wegtrekken; smeren; afreizen; wegreizen; terechtkomen; geraken; verzeilen; belanden; reizen; rondreizen; trekken; zwerven; verdwijnen; blijken; uitkomen; bewaarheid worden; uitstappen; eruitgaan; eruit gaan; uitrijden; vooraan staan; afsluiten; vluchten; wegkomen; ontvluchten; weglopen; ontsnappen aan; zich vrijmaken; ontkomen; wegrennen; ontglippen; conveniëren; geschikt zijn; passen; deugen; passend zijn; ervandoor gaan; zich uit de voeten maken; de plaat poetsen; hem smeren; extraheren; losmaken; uittrekken; uithalen; lostornen; tornen; loskrijgen; naar de vijand overlopen; vrijkomen; loskomen; op vrije voeten gesteld worden; ontslagen worden; vooruitsteken; vooruitspringen; opgeven; stoppen; afhaken; ophouden; afzien van; afvallen; eruitstappen; afzeggen
    vertrekken; heengaan; weggaan; uitkomen; uitstromen

1 bericht aan het bekijken (van in totaal 1)

Je moet ingelogd zijn om een reactie op dit onderwerp te kunnen geven.